Illustratie bij Teeltgerichte kennis
Teeltgerichte kennis

Onkruid in groenbemesters voorkomen en beheersen

Een goed geslaagde groenbemester kan onkruid onderdrukken. Een dun, laat gezaaid of opengevallen gewas kan onkruid juist ruimte geven. Met een gerichte controle voorkom je zaadvorming en problemen in het volggewas.

Een groenbemester wordt vaak ingezet om de bodem bedekt te houden, stikstof vast te leggen, organische stof aan te voeren of bepaalde aaltjes te beheersen. Een goed ontwikkeld gewas kan ook onkruid onderdrukken. Toch gaat dat niet vanzelf. Als de groenbemester laat wordt gezaaid, slecht opkomt of in de winter openvalt, kan onkruid juist extra ruimte krijgen.

Het belangrijkste doel is daarom niet alleen een groen perceel. Het doel is een groenbemester die snel sluit, onkruid blijft beconcurreren en geen nieuw probleem veroorzaakt voor het volggewas.

Hoe onderdrukt een groenbemester onkruid?

Een groenbemester en een onkruidplant gebruiken dezelfde groeifactoren: licht, water, voedingsstoffen en ruimte. Een snel groeiende groenbemester neemt een groot deel daarvan als eerste in. Door het gesloten bladerdek bereikt minder licht de bodem. Kleine onkruiden kiemen dan minder goed of groeien langzamer.

De werking hangt vooral af van:

  • een vlotte kieming en beginontwikkeling;
  • voldoende planten per vierkante meter;
  • een snelle en gelijkmatige bodembedekking;
  • voldoende groei vóór koude of natte omstandigheden;
  • een gewas dat niet te vroeg openvalt.

Na het afsterven kunnen gewasresten de bodem nog tijdelijk bedekken. Dat kan nieuwe kieming afremmen. Soms wordt ook gesproken over allelopathie. Daarbij geven planten stoffen af die de kieming of groei van andere planten beïnvloeden. Onderzoek laat zien dat dit kan voorkomen, maar het effect hangt sterk af van soort, groeistadium, temperatuur, vocht en verwerking van de resten. Reken daarom in de praktijk vooral op concurrentie en bodembedekking, niet op een onzeker allelopathisch effect.

Wanneer neemt het risico op veronkruiding toe?

Late zaai

Na een laat geoogst hoofdgewas is de groeiperiode kort. Rogge, bladkool of een andere wintergroene soort kan dan wel opkomen, maar toch te weinig blad vormen om de bodem te sluiten. Onkruiden die ook bij lage temperaturen doorgroeien, kunnen de open ruimte benutten.

Slechte of onregelmatige opkomst

Droogte, een grof zaaibed, verdichting, slakkenvraat, een verkeerde zaaidiepte of onvoldoende zaaizaad kunnen kale plekken veroorzaken. Let vooral op kopakkers, rijsporen, perceelsranden en plekken waar stro of gewasresten ongelijk zijn verdeeld.

Uitwintering en gewasschade

Een vorstgevoelige groenbemester kan na een koude periode snel openvallen. De gewasresten bedekken de bodem soms nog, maar dat is niet altijd voldoende. In veldproeven van Wageningen Plant Research kregen onder meer muur en straatgras ruimte nadat groenbemesters waren uitgewinterd. In het voorjaar was bij een deel van die onkruiden al zaadvorming begonnen.

Een verkeerde combinatie met het perceel

De snelst groeiende groenbemester is niet automatisch de beste keuze. Een soort kan waardplant zijn voor bepaalde aaltjes of ziekten, lastig te beëindigen zijn of opslag geven in het volggewas. Bekijk de onkruidonderdrukking daarom altijd samen met bodem, bouwplan en gewasgezondheid.

Waarom zaadvorming voorkomen belangrijker is dan een netjes perceel

Een paar grote onkruidplanten kunnen meer schade geven dan een groter aantal kleine planten. Het verschil zit in zaadproductie. Als onkruiden in de groenbemester bloeien en zaad vormen, wordt de zaadvoorraad in de bodem aangevuld. Die zaden kunnen in volgende jaren opnieuw kiemen.

De controle moet daarom niet alleen gaan over de hoeveelheid onkruid. Stel ook deze vragen:

  1. Welke soorten staan er?
  2. Hoe groot en ontwikkeld zijn ze?
  3. Begint bloei of zaadvorming?
  4. Staan ze verspreid of vooral op probleemplekken?
  5. Blijft de groenbemester nog voldoende concurreren?

Een perceel kan van een afstand netjes groen lijken, terwijl onder of tussen het gewas al onkruiden in bloei staan. Loop dus het veld in en kijk onder het bladerdek.

Praktische veldcontrole in vier rondes

1. Kort na opkomst

Controleer of de opkomst gelijkmatig is. Zoek naar kale plekken en bepaal de oorzaak. Een probleem dat je nu herkent, kun je soms nog plaatselijk herstellen. Noteer ook welke onkruiden tegelijk met de groenbemester opkomen.

2. Voor de winter

Beoordeel de bodembedekking. Kijk niet alleen midden op het perceel, maar ook in rijsporen, op kopakkers en bij perceelsranden. Controleer of onkruiden boven het gewas uitgroeien of al bloemknoppen vormen.

3. Na vorst, wateroverlast of vraat

Loop opnieuw als het gewas zichtbaar is beschadigd. Bepaal hoeveel levende bodembedekking overblijft en of gewasresten de bodem nog afsluiten. Let op onkruiden die de vrijgekomen ruimte benutten.

4. Ruim voor het volggewas

Wacht niet tot de dag van de hoofdgrondbewerking. Controleer tijdig of de groenbemester en het aanwezige onkruid nog beheersbaar zijn. Kijk naar bloei, zaadvorming, verhouting en de kans op opslag. Zo houd je ruimte om een passende maatregel en een geschikt moment te kiezen.

Maatregelen beginnen vóór het zaaien

Kies op doel én risico

Bepaal eerst waarom je een groenbemester teelt. Gaat het om stikstof vasthouden, organische stof, bodemstructuur, aaltjesbeheersing, biodiversiteit of onkruidonderdrukking? Vaak zijn meerdere doelen belangrijk, maar niet iedere soort scoort op alles even goed.

Neem bij de keuze mee:

  • het vroegst haalbare zaaitijdstip;
  • de snelheid van beginontwikkeling;
  • winterhardheid of juist de kans op afvriezen;
  • gevoeligheid voor ziekten en aaltjes;
  • kans op opslag in het volggewas;
  • beschikbare machines voor zaaien en beëindigen;
  • beperkingen vanuit wetgeving en het bouwplan.

Een mengsel kan sterke eigenschappen combineren, maar is niet automatisch beter. Als één bestanddeel slecht past bij het aaltjesrisico of lastig te beheersen is, kan dat zwaarder wegen dan de extra diversiteit.

Zaai zo vroeg en gelijkmatig mogelijk

Iedere groeidag telt, vooral later in het seizoen. Een goede aansluiting op de oogst van het hoofdgewas is daarom belangrijk. Zorg voor een passend zaaibed, een gelijkmatige verdeling en een zaaidiepte die past bij de gekozen soort of het mengsel. Controleer de zaaimachine en pas de hoeveelheid zaaizaad aan de omstandigheden aan.

Begin met een beheersbare uitgangssituatie

Een groenbemester is geen reparatiemiddel voor een perceel met veel groot onkruid. Beoordeel de stoppel vóór het zaaien. Als probleemsoorten al ver ontwikkeld zijn, moet je eerst bepalen hoe je zaadvorming en verdere verspreiding voorkomt. Neem dat mee in je geïntegreerde aanpak van onkruid.

Wat kun je doen als onkruid toch doorbreekt?

De juiste maatregel hangt af van onkruidsoort, ontwikkelingsstadium, groenbemester, bodem, weer en volggewas. Er bestaat geen standaardmaatregel die altijd past.

Mogelijke onderdelen van de aanpak zijn:

  • probleemplekken apart behandelen voordat zaadvorming begint;
  • maaien of klepelen als soort en groeistadium dat toelaten;
  • een geschikte mechanische bewerking plannen;
  • het moment van beëindigen aanpassen;
  • bij een toegelaten chemische toepassing altijd het actuele etiket, het gebruiksvoorschrift en de situatie op het perceel controleren.

Maaien voorkomt niet bij iedere onkruidsoort definitief zaadvorming. Sommige soorten lopen opnieuw uit of vormen laag bij de grond alsnog zaad. Controleer daarom na de maatregel opnieuw. Lees ook wanneer mechanische onkruidbestrijding werkt.

Let op het volggewas

De groenbemester is onderdeel van het bouwplan en geen losse tussenteelt. Een beslissing in het najaar kan gevolgen hebben voor de zaaibedbereiding, vochtvoorziening, stikstofbeschikbaarheid, onkruiddruk en gewasgezondheid in het voorjaar.

Leg daarom per perceel vast:

  • welke groenbemester of welk mengsel is gezaaid;
  • zaai- en beëindigingsdatum;
  • kwaliteit van opkomst en bodembedekking;
  • aanwezige onkruidsoorten en probleemplekken;
  • uitgevoerde maatregelen en het resultaat;
  • bijzonderheden voor het volggewas.

Met deze gegevens kun je de keuze in een volgend jaar verbeteren. Dat past bij vruchtwisseling, bodemgezondheid en bedrijfshygiëne: waarnemen, vastleggen en maatregelen op elkaar laten aansluiten.

Beslisschema voor het perceel

Gebruik bij iedere controle deze volgorde:

  1. Is de bodem voldoende bedekt? Zo nee, zoek de oorzaak en controleer de open plekken extra.
  2. Welke onkruiden staan er? Let op probleemsoorten en soorten die bij lage temperatuur doorgroeien.
  3. Is bloei of zaadvorming dichtbij? Zo ja, wacht niet tot de geplande voorjaarsbewerking.
  4. Blijft de groenbemester gezond en gesloten? Controleer opnieuw na vorst, nattigheid of vraat.
  5. Past een maatregel bij groenbemester en volggewas? Beoordeel neveneffecten voordat je ingrijpt.
  6. Heeft de maatregel gewerkt? Loop terug en leg het resultaat vast.

Conclusie

Een groenbemester kan een sterke maatregel zijn binnen geïntegreerde onkruidbeheersing, maar alleen als het gewas op tijd wordt gezaaid, goed opkomt en voldoende lang gesloten blijft. De grootste fout is aannemen dat een groen perceel vanzelf schoon blijft.

Controleer daarom meerdere keren, let op open plekken en voorkom vooral dat onkruid zaad vormt. Kies de groenbemester niet alleen op snelle bodembedekking, maar ook op aaltjes, ziekten, winterhardheid, opslag en het volggewas. Zo levert de tussenteelt een bijdrage aan de bodem én aan een beheersbare onkruiddruk.

Veelgestelde vragen

Onderdrukt iedere groenbemester onkruid?

Nee. De onderdrukking hangt vooral af van een snelle beginontwikkeling, een gesloten gewas en voldoende groei. Bij late zaai, droogte, slechte opkomst of uitwintering kan het gewas open blijven en krijgt onkruid alsnog ruimte.

Waarom is zaadvorming van onkruid in een groenbemester een probleem?

De gevormde zaden komen in de bodemvoorraad terecht. Daardoor kan de onkruiddruk in volgende teelten jarenlang hoger blijven. Voorkomen dat onkruid zaad maakt is daarom belangrijker dan alleen kijken of het perceel in het najaar groen staat.

Wanneer moet ik een groenbemester op onkruid controleren?

Controleer kort na opkomst, voor de winter, na vorst of andere gewasschade en opnieuw ruim voor het klaarleggen van het volggewas. Kijk extra goed op kopakkers, rijsporen en plekken met een slechte opkomst.

Kan ik alleen op bodembedekking letten bij de keuze van een groenbemester?

Nee. Kijk ook naar het zaaitijdstip, het doel van de groenbemester, aaltjes, ziekten, winterhardheid, opslagrisico en het volggewas. De beste keuze is een afweging voor het hele bouwplan.

Bekijk cursussen Vraag advies
WhatsApp met Marko