Illustratie bij Teeltgerichte kennis
Teeltgerichte kennis

Wat een veranderend klimaat betekent voor je gewasbescherming

Een langer groeiseizoen klinkt als winst, maar het betekent ook meer generaties plagen per jaar, hogere resistentiedruk en minder werkbare spuitdagen. Dit is wat er in het veld verandert en hoe je je aanpast.

Wie twintig jaar meeloopt in de teelt merkt het zonder cijfers: het seizoen begint eerder, de zomers zijn droger met heftiger buien ertussen, en er duiken problemen op die je vroeger niet had. De vraag is niet meer óf het klimaat verandert, maar wat je er in de praktijk mee moet.

Dit artikel bekijkt die vraag vanuit vier hoeken: wat er met de teelt zelf gebeurt, wat het met plagen en ziekten doet, wat het betekent voor het moment waarop je kunt spuiten, en wat dat vraagt van je vakkennis.

De landbouwkaart van Europa schuift

Wageningen University & Research publiceerde in juni 2026 twee studies over de gevolgen van klimaatverandering voor de Europese voedselproductie, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van LVVN. De hoofdlijn: de Europese voedselvoorziening komt de komende decennia waarschijnlijk niet in gevaar, maar de plek waar voedsel geproduceerd wordt verschuift wel.

Zuid-Europa loopt aan tegen hitte, droogte en watertekorten. In Noord-Europa wordt het groeiseizoen langer. Teeltzones schuiven daardoor geleidelijk naar het noorden. Voor Nederland betekent dat ruimte voor gewassen die nu vooral rond de Middellandse Zee staan.

Maar de onderzoekers waarschuwen tegen te veel optimisme. “De gedachte dat Nederland automatisch profiteert van klimaatverandering is te simpel”, zegt onderzoeker Siemen van Berkum. “We krijgen misschien nieuwe mogelijkheden, maar ook nieuwe risico’s.”

Die risico’s zijn concreet: hittegolven, droogte, verzilting van landbouwgrond, bodemproblemen en een toenemende druk van plagen en ziekten. Dat laatste is het punt waar het voor jou als licentiehouder direct praktisch wordt.

Waarom de plaagdruk toeneemt

Insecten zijn koudbloedig. Hun ontwikkeling verloopt niet op de kalender maar op temperatuur, uitgedrukt in graaddagen: de opgetelde warmte boven een drempelwaarde. Een bladluis heeft een vast aantal graaddagen nodig om van geboorte tot voortplanting te komen.

Wordt het seizoen warmer en langer, dan passen er simpelweg meer generaties in een jaar. Waar je vroeger drie cycli zag, kunnen dat er vier of vijf worden. Elke extra generatie vermenigvuldigt de populatie, en omdat bladluizen zich ongeslachtelijk voortplanten gaat dat hard.

Daar komt bij dat zachtere winters meer plaagdieren laten overleven. Je begint het seizoen dus met een hogere uitgangspopulatie én je krijgt er meer generaties overheen.

Het resistentie-effect dat vaak wordt gemist

Meer generaties betekent niet alleen meer beestjes. Het betekent ook meer selectierondes. Elke keer dat je behandelt, overleven de individuen die het minst gevoelig zijn, en die planten zich voort. Bij vijf generatiewisselingen per jaar gaat resistentieopbouw meetbaar sneller dan bij drie.

Dit is precies waarom afwisseling van werkingsmechanismen belangrijker wordt in plaats van minder belangrijk. Het IRAC-nummer op je etiket is geen administratief detail: het vertelt je of je middel echt een ander aangrijpingspunt heeft dan wat je vorige keer gebruikte, of alleen een andere merknaam draagt.

Nattere omstandigheden, andere ziekten

Waar insecten profiteren van warmte, profiteren de meeste schimmels van vocht. Toenemende neerslagextremen zorgen ervoor dat gewassen langer nat blijven, en bladnatduur is voor veel schimmelziekten de bepalende factor.

De combinatie is ongelukkig: warmer én natter geeft zowel de insecten als de schimmels ruimte. Voor phytophthora in aardappelen bijvoorbeeld betekent dat kortere intervallen tussen bespuitingen in risicoperioden, terwijl je juist minder werkbare dagen hebt.

Je spuitvenster wordt smaller

Dit is het gevolg dat in de praktijk het hardst aankomt en dat in beleidsstukken zelden wordt genoemd. Het aantal uren waarop je verantwoord kunt spuiten neemt af, van twee kanten tegelijk.

Aan de warme kant vallen uren weg door verdamping en drift. Bij hoge temperatuur en lage luchtvochtigheid verdampen fijne druppels voordat ze het gewas raken. Op stille, warme avonden ontstaat bovendien vaker temperatuurinversie, waarbij de druppelnevel blijft hangen en over grote afstand kan verplaatsen. Dat is precies het moment waarop het spuiten aangenaam voelt en waarop het misgaat.

Aan de natte kant vallen uren weg door onberijdbaarheid en afspoelingsrisico. Na een piekbui is de bodem verzadigd, en een bespuiting vlak voor de volgende bui spoelt af richting sloot. Dat kost je niet alleen werking, het is ook precies wat waterschappen terugvinden in hun metingen.

Wat overblijft zijn smallere vensters die je minder vrij kunt kiezen. De praktische consequentie: eerder beginnen met monitoren, zodat je niet afhankelijk bent van het ene moment dat toevallig uitkomt. Wie pas kijkt als de schade zichtbaar is, moet spuiten wanneer het moet, niet wanneer het kan.

Droogte, verzilting en de werking van middelen

Droogte doet meer dan het gewas remmen. Een plant onder droogtestress sluit huidmondjes, legt een dikkere waslaag aan en groeit trager. Systemische middelen worden daardoor slechter opgenomen en minder goed verdeeld. Je zet dezelfde dosering weg en krijgt minder effect.

Bij verzilting speelt iets vergelijkbaars. Zout water in de wortelzone verhoogt de osmotische druk, waardoor de plant moeite heeft met wateropname en zich gedraagt als een plant onder droogtestress, zelfs bij voldoende vocht in de bodem.

Voor je middelenkeuze betekent dit: kijk niet alleen naar het etiket maar naar de conditie van het gewas. Een gestrest gewas is gevoeliger voor schade en neemt slechter op. In veel gevallen is wachten op betere omstandigheden effectiever dan doorzetten.

Een krimpend middelenpakket bij stijgende druk

Hier lopen twee ontwikkelingen tegen elkaar in. De plaag- en ziektedruk neemt toe, terwijl het aantal beschikbare werkzame stoffen afneemt door herbeoordelingen en intrekkingen.

Dat betekent dat je minder kunt terugvallen op corrigeren achteraf. De nadruk verschuift naar wat je vóóraf regelt: rassenkeuze, vruchtwisseling, bodemgezondheid, hygiëne, monitoring en schadedrempels. Niet omdat het mooier klinkt, maar omdat er straks minder middelen zijn om een verkeerde uitgangssituatie mee te repareren.

De overheid loopt hierin mee met het Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw, dat in 2020 startte en inmiddels is verlengd tot 2027. Maar beleid lost je perceel niet op. De aanpassingen die tellen gebeuren op bedrijfsniveau.

Wat dit vraagt van je vakkennis

Het lastige aan deze verandering is dat ze traag gaat. Er is geen jaar waarin het omslaat. Je merkt het aan een luizenpiek die eerder komt, een schimmelbehandeling die niet pakt zoals vorig jaar, een spuitdag die je moet overslaan.

Juist daarom is het waardevol om regelmatig te toetsen of je werkwijze nog klopt. Praktijkkennis is goud waard, maar praktijkkennis is ook gebaseerd op de omstandigheden waarin je die hebt opgedaan. Als die omstandigheden opschuiven, schuift de bruikbaarheid van je vuistregels mee.

Concreet zou ik op deze vier dingen letten:

  • Monitor eerder en vaker. Vaste momenten in je week werken beter dan reageren op wat je toevallig ziet.
  • Werk met graaddagen in plaats van kalenderdata. Als je vaste weken aanhoudt voor een behandeling, loop je bij een warm voorjaar achter de feiten aan.
  • Houd je resistentiestrategie tegen het licht. Meer generaties per jaar vraagt strakkere afwisseling van werkingsmechanismen.
  • Plan alsof je minder spuitdagen hebt. Want dat is ook zo.

Actuele vakkennis is hier geen formaliteit voor je puntenregistratie. Het verschil tussen een teler die een luizenpiek een week eerder ziet aankomen en een teler die reageert op schade, is precies het verschil dat bepaalt of je met minder middelen toch uitkomt.

Zie ook: hoe je geïntegreerde gewasbescherming toepast, resistentie voorkomen bij schimmelbestrijding en waarom gewasbeschermingsmiddelen verdwijnen.

Veelgestelde vragen

Krijgt Nederland het makkelijker of moeilijker door klimaatverandering?

Allebei. Een langer groeiseizoen biedt kansen voor gewassen die nu vooral in Zuid-Europa staan. Tegelijk nemen watertekorten, verzilting en de druk van ziekten en plagen toe. WUR-onderzoeker Siemen van Berkum noemt de gedachte dat Nederland automatisch profiteert te simpel.

Waarom neemt de plaagdruk toe bij een langer groeiseizoen?

Plagen als bladluizen doorlopen hun cyclus in een vast aantal graaddagen. Wordt het seizoen langer en warmer, dan passen er meer generaties in een jaar. Meer generaties betekent een grotere populatie én meer momenten waarop resistentie kan ontstaan.

Wat verandert er aan mijn spuitmomenten?

Het aantal geschikte uren neemt af. Warme dagen vallen af door verdampings- en driftrisico, natte perioden door onberijdbaarheid en afspoeling. Je houdt smallere vensters over, wat vraagt om eerder monitoren en beter plannen.

Moet ik hiervoor iets aan mijn licentie doen?

Je licentie-eisen veranderen niet door het klimaat. Wel wordt de inhoud van je nascholing relevanter: middelenpakketten krimpen terwijl de druk toeneemt, en dat vraagt om actuele kennis van IPM, resistentiemanagement en spuittechniek.

Bekijk cursussen Vraag advies
WhatsApp met Marko